| Softwaregeek

De Ierse Data Protection Commission (DPC) heeft op woensdag 4 november de beslissing genomen om een ​​administratieve boete op te leggen aan Tusla Child and Family Agency bevestigd in de Dublin Circuit Court. De aanvraag om het besluit tot oplegging van een administratieve boete van € 75.000 te bevestigen werd ingediend op grond van artikel 143 van de Data Protection Act 2018. Dit was de eerste boete die werd opgelegd onder de AVG in Ierland na een wettelijk onderzoek en is de eerste aanvraag op grond van artikel 143 .

(143)Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft het recht om bij het Hof van Justitie een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een besluit van het Comité, onder de in artikel 263 VWEU bedoelde voorwaarden. Als adressaten van dergelijke besluiten dienen de betrokken toezichthoudende autoriteiten die wensen op te komen tegen deze besluiten, binnen twee maanden na de kennisgeving ervan beroep in te stellen overeenkomstig artikel 263 VWEU. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke, de verwerker of de klager rechtstreeks en individueel wordt geraakt door besluiten van het Comité, kan hij binnen twee maanden na de bekendmaking ervan op de website van het Comité een beroep tot nietigverklaring van deze besluiten instellen overeenkomstig artikel 263 VWEU. Onverminderd dit recht uit hoofde van artikel 263 VWEU dient iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht te hebben om tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit dat ten aanzien van die persoon rechtsgevolgen heeft, voor het bevoegde nationale gerecht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen. Een dergelijk besluit heeft meer bepaald betrekking op de uitoefening van met onderzoek, correctie en toestemming verband houdende bevoegdheden door de toezichthoudende autoriteit, of op de afwijzing van klachten. Het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen geldt echter niet voor door de toezichthoudende autoriteiten getroffen maatregelen die niet juridisch bindend zijn, zoals adviezen. Een vordering tegen een toezichthoudende autoriteit dient te worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd, en dient in overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat. Die gerechten dienen volledige rechtsmacht uit te oefenen, waaronder rechtsmacht om alle feitelijke en juridische vraagstukken in verband met het bij hen aanhangige geschil te onderzoeken.Wordt een klacht door een toezichthoudende autoriteit afgewezen, dan kan de klager beroep instellen bij de gerechten in dezelfde lidstaat. In het kader van de rechtsbevoegdheid in verband met de toepassing van deze verordening, kunnen, of, in het geval van artikel 267 VWEU, moeten de nationale gerechten die van oordeel zijn dat een beslissing ter zake noodzakelijk is voor het wijzen van hun vonnis, het Hof van Justitie verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het Unierecht, met inbegrip van deze verordening. Bovendien, wanneer een besluit van een toezichthoudende autoriteit tot uitvoering van een besluit van het Comité wordt betwist voor een nationaal gerecht en de geldigheid van het besluit van het Comité aan de orde is, heeft dat nationale gerecht niet de bevoegdheid om het besluit van het Comité ongeldig te verklaren, maar dient zij, wanneer zij het besluit ongeldig acht, de vraag inzake de geldigheid voor te leggen aan het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 267 VWEU zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. Een nationaal gerecht kan een vraag inzake de geldigheid van een besluit van het Comité echter niet aan het Hof voorleggen op verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon die de mogelijkheid had om beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen, met name wanneer hij rechtstreeks en individueel door dat besluit was geraakt, maar dit niet heeft gedaan binnen de in artikel 263 VWEU gestelde termijn.
Bron: Euro-lex
| Softwaregeek

Dit onderzoek is ingesteld naar aanleiding van drie inbreuken in verband met persoonsgegevens die door Tusla bij de DPC zijn gemeld. Alle drie de inbreuken op persoonlijke gegevens deden zich voor in omstandigheden waarin Tusla er niet in slaagde persoonlijke gegevens te redigeren bij het verstrekken van documenten aan derden. Het eerste datalek deed zich voor toen Tusla onbedoeld het adres van hun pleegzorger verstrekte aan de vader van twee kinderen in de zorg. De tweede overtreding deed zich voor toen Tusla onbedoeld een persoon die werd beschuldigd van seksueel kindermisbruik het adres van het kind dat de klacht had ingediend en het telefoonnummer van haar moeder verstrekte. De derde overtreding deed zich voor toen Tusla de grootmoeder van een kind in de zorg onbedoeld het adres en de contactgegevens van de pleegouders van het kind en de locatie van de school van het kind verstrekte.

Besluit

  • In het besluit werd vastgesteld dat Tusla inbreuk maakte op artikel 32, lid 1, van de AVG door geen passende organisatorische maatregelen te nemen om een ​​beveiligingsniveau te waarborgen dat past bij het risico van de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot het delen van documenten met derden.
  • In het besluit werd ook vastgesteld dat Tusla artikel 33, lid 1, van de AVG had geschonden door de DPC niet onverwijld op de hoogte te stellen van de derde inbreuk.

Corrigerende bevoegdheden

  • De DPC legde Tusla een bestuurlijke boete op van € 75.000 voor haar inbreuken op artikel 32, eerste lid, en artikel 33, eerste lid.
  • De DPC heeft Tusla opdracht gegeven om zijn verwerkingsactiviteiten in overeenstemming te brengen met artikel 32, lid 1, van de AVG door passende organisatorische maatregelen te nemen om een ​​beveiligingsniveau te waarborgen dat is afgestemd op het risico.
  • De DPC heeft Tusla berispt met betrekking tot de inbreuken op artikel 32, lid 1, en artikel 33, lid 1, van de AVG.

Pin It on Pinterest